
Auteur: Vocab Team
Laatst bijgewerkt:
Modale werkwoorden in het Engels: uitleg, voorbeelden en oefening
Begin met echte Engelse woordenschat met Vocab
Gratis te downloaden. Leer sneller met spaced repetition, themalijsten en uitspraak van moedertaalsprekers - en houd vast wat je leert.
Met modale werkwoorden geef je in het Engels een extra betekenis aan een zin: wat iemand kan, moet, mag, waarschijnlijk zal doen of volgens jou beter kan doen. Na deze les kun je onder meer het verschil uitleggen tussen mustn't en don't have to, en kies je beter tussen can, could, may en might.
Modale werkwoorden zijn een soort hulpwerkwoorden. Niet elk hulpwerkwoord is dus modaal: be, have en do helpen ook in Engelse zinnen, maar drukken vaak tijd, een vraag of ontkenning uit. Modale werkwoorden drukken vooral houding, mogelijkheid, verplichting of advies uit.
De basisregel
De meestgebruikte modale werkwoorden zijn can, could, may, might, must, should, will en would. Ze hebben drie handige eigenschappen:
- Ze veranderen niet met de persoon. Je schrijft She can swim.: zij kan zwemmen. Niet She cans swim.
- Daarna komt meestal de basisvorm van het werkwoord, zonder to. You must leave now. betekent: je moet nu vertrekken.
- Voor een vraag of ontkenning zet je het modale werkwoord vooraan of voeg je not toe. Can he drive? betekent: kan hij autorijden? He cannot drive. betekent: hij kan niet autorijden.
Let op de uitzondering ought to. Dit woord geeft ook advies, maar krijgt wel to: You ought to call her. betekent: je zou haar moeten bellen.
De belangrijkste modale werkwoorden
Vaardigheid, mogelijkheid en toestemming: can en could
Gebruik can voor een vaardigheid, een praktische mogelijkheid of een informeel verzoek.
- I can swim.: ik kan zwemmen.
- Can you help me?: kun je me helpen?
- We can't park here.: we kunnen hier niet parkeren.
Could kan een vaardigheid in het verleden aangeven. Het maakt een verzoek ook beleefder. Soms stelt het een mogelijke optie voor.
- When I was six, I could read.: toen ik zes was, kon ik lezen.
- Could you open the window, please?: zou je het raam kunnen openen, alsjeblieft?
- We could take the bus.: we zouden de bus kunnen nemen.
Bij een beleefd verzoek betekent Could you ...? niet dat de ander het vroeger kon. Het is een vriendelijke manier om iets te vragen.
Toestemming en kans: may en might
May gebruik je vaak voor formele toestemming of voor een mogelijkheid.
- May I come in?: mag ik binnenkomen?
- The train may be late.: de trein komt misschien te laat.
In dagelijkse gesprekken is Can I ...? heel gewoon voor toestemming. May I ...? klinkt formeler, bijvoorbeeld in een formele situatie.
Might drukt ook een mogelijkheid uit. Het klinkt vaak voorzichtiger of onzekerder dan may, maar de context bepaalt hoeveel kans iets werkelijk heeft.
- It might rain tonight.: het kan vanavond regenen.
- She might know the answer.: misschien kent zij het antwoord.
Verplichting, verbod en geen noodzaak: must en have to
Must drukt een sterke verplichting uit. Het kan ook een sterke gevolgtrekking zijn.
- You must wear a seat belt.: je moet een gordel dragen.
- They must be at home.: ze moeten wel thuis zijn.
De ontkenning is belangrijk:
- You mustn't use your phone here.: je mag je telefoon hier niet gebruiken. Dit is een verbod.
- You don't have to bring food.: je hoeft geen eten mee te nemen. Dit is geen verplichting, maar het mag wel.
Verwar deze twee dus niet. Mustn't betekent dat iets niet mag; don't have to betekent dat iets niet nodig is.
Have to is geen modaal werkwoord in de strikte grammaticale zin, maar heeft vaak dezelfde betekenis als must voor verplichting. Anders dan een modaal werkwoord verandert het wel:
- I have to work today.: ik moet vandaag werken.
- She has to work today.: zij moet vandaag werken.
Advies en verwachting: should
Gebruik should voor advies, een aanbeveling of iets wat je verwacht.
- You should see a doctor.: je zou naar een dokter moeten gaan.
- The package should arrive tomorrow.: het pakket zou morgen moeten aankomen.
- You should not worry.: je zou je geen zorgen moeten maken. Dit is advies om niet bezorgd te zijn.
Vergelijk de laatste zin met You don't have to worry.: je hoeft je geen zorgen te maken. Die zin zegt dat bezorgdheid niet nodig is. Het verschil is klein in sommige situaties, maar should not geeft advies en don't have to geeft aan dat er geen noodzaak is.
Toekomst, belofte en bereidheid: will en would
Will gebruik je onder andere voor een voorspelling, belofte of besluit op het moment van spreken.
- I will call you tonight.: ik zal je vanavond bellen.
- Don't worry, I will help you.: maak je geen zorgen, ik zal je helpen.
Would komt vaak voor in beleefde verzoeken en in denkbeeldige situaties.
- Would you like some tea?: wil je wat thee?
- I would travel more if I had time.: ik zou meer reizen als ik tijd had.
Vragen en ontkenningen vormen
Bij de meeste modale werkwoorden heb je geen extra hulpwerkwoord do nodig.
- Can she speak English?: kan zij Engels spreken?
- Should we leave now?: zouden we nu moeten vertrekken?
- He might not come.: hij komt misschien niet.
Veel ontkenningen hebben een korte vorm: can't, couldn't, shouldn't, won't en wouldn't. Schrijf bij een formele tekst gerust de volledige vorm, zoals cannot of should not.
Veelgemaakte fouten
Geen to na een modaal werkwoord
Niet: He must to go now.
Wel: He must go now.: hij moet nu gaan.
Na must, can, should en vergelijkbare woorden volgt direct de basisvorm. Alleen ought to is hier de bekende uitzondering.
Geen uitgang bij he, she of it
Niet: She can sings.
Wel: She can sing.: zij kan zingen.
Het modale werkwoord blijft altijd hetzelfde en het volgende werkwoord krijgt geen -s.
Niet automatisch must gebruiken voor elke Nederlandse vorm van “moeten”
Niet: You mustn't come tomorrow. als je bedoelt dat komst niet nodig is.
Wel: You don't have to come tomorrow.: je hoeft morgen niet te komen.
Gebruik You mustn't come tomorrow. alleen wanneer iemand morgen niet mag komen.
May en might niet als vaste percentages zien
It may rain. en It might rain. betekenen allebei dat regen mogelijk is. Might klinkt vaak voorzichtiger, maar er is geen vaste regel zoals “may is precies waarschijnlijker”. Kijk naar de situatie en de toon van de spreker.
Kort overzicht
- can: vaardigheid, mogelijkheid, informeel verzoek
- could: vaardigheid in het verleden, beleefd verzoek, optie
- may: formele toestemming of mogelijkheid
- might: voorzichtige mogelijkheid
- must: sterke verplichting of sterke gevolgtrekking
- should: advies of verwachting
- will: toekomst, belofte of bereidheid
- would: beleefd verzoek of denkbeeldige situatie
Oefening: kies het beste woord
Vul in met can, could, may, might, must, should, will of don't have to. Soms is meer dan één antwoord grammaticaal mogelijk, maar kies het woord dat het best bij de betekenis past.
- You ___ wear a helmet on this construction site. It is a safety rule.
- ___ you pass me the salt, please?
- I ___ play the piano when I was a child.
- Take an umbrella. It ___ rain later.
- You ___ bring a gift to the party. It is optional.
- You ___ not enter this room. It is forbidden.
- You look tired. You ___ go to bed earlier.
- ___ I leave the meeting early?
Antwoorden
- must. You must wear a helmet ... betekent: je moet een helm dragen. Het is een regel.
- Could. Could you pass me the salt, please? betekent: zou je me het zout kunnen aangeven, alsjeblieft? Dit is een beleefd verzoek.
- could. I could play the piano ... betekent: ik kon piano spelen. Het gaat om een vaardigheid in het verleden.
- might. It might rain later. betekent: het kan later regenen. De spreker is niet zeker.
- don't have to. You don't have to bring a gift ... betekent: je hoeft geen cadeau mee te nemen. Een cadeau mag, maar is niet verplicht.
- must. You must not enter this room. betekent: je mag deze kamer niet binnengaan. De volledige vorm must not is hetzelfde als mustn't.
- should. You should go to bed earlier. betekent: je zou eerder naar bed moeten gaan. Dit is advies.
- May. May I leave the meeting early? betekent: mag ik de vergadering eerder verlaten? Dit is een formele vraag om toestemming.
Onthoud deze aanpak
Bepaal eerst wat je wilt zeggen: een vaardigheid, een verzoek, een mogelijkheid, een regel of advies. Kies daarna het modale werkwoord dat bij die bedoeling past. Controleer ten slotte de vorm: geen to en geen -s na de meeste modale werkwoorden. Met die drie stappen bouw je duidelijke Engelse zinnen.

